De delibererende klassenraad - die op het einde van het schooljaar moet beslissen of uw zoon/dochter al dan niet geslaagd is - wordt gekenmerkt door een positieve ingesteldheid, door bezorgdheid voor elke leerling afzonderlijk , en door de zorg om het ontdekken van de meest zinvolle studieloopbaan. Met andere woorden : de beslissing van deze klassenraad is toekomstgericht en gebaseerd op de vraag of de leerling alle kansen om te slagen heeft in het leerjaar dat qua onderverdelingen en/of onderwijsvorm logisch voortbouwt op het huidige leerjaar.
Het antwoord op deze deliberatievraag komt tot stand aan de hand van het deliberatiedossier van de leerling dat de volgende gegevens bevat:
Het antwoord op de deliberatievraag wordt dus niet enkel bepaald door het resultaat van de optelsom van de punten van dagelijkse werk en examens. Afhankelijk van het studiejaar zullen ook andere factoren in meerdere of mindere mate de beslissing van de klassenraad bepalen.
Alhoewel in de 2de graad reeds voor een bepaalde studierichting gekozen werd en bepaalde vakken eigen aan die richting aan belang winnen, blijft de nadruk liggen op het algemeen vormende aspect. Uit ervaring weten we dat een keuze die geïnspireerd wordt door het ‘ontwijken’ van vakken, vaak een vlotte doorstroming naar het 4de jaar of naar de 3de graad belemmert. Ook in deze graad beogen wij een optimale studieloopbaanoriëntatie en zal bij twijfel een A-attest gepaard gaan met een duidelijk advies.
De opmerkingen bij de rapporten van dagelijks werk en examens zijn richtinggevend voor de attestering op het einde van het schooljaar. Zoals in de 1ste graad zijn de evolutie van de resultaten en het resultaat van (maart-)juni examens van doorslaggevend belang.
De derde graad moet de leerling voorbereiden op het hoger onderwijs. Een leerling die voor een bepaalde studierichting in onze school kiest, moet meer nog dan in de tweede graad voldoen aan het zogenaamde "ASO-profiel" en aan het profiel eigen aan de gekozen richting.
De derde graad van het ASO is bedoeld voor leerlingen die:
- bereid zijn grondig in te gaan op de theoretische uitdieping van de leerstof;
- reflecterend creatief kunnen denken om de aangeboden leerinhouden kritisch te beoordelen;
- zelfstandig grote leerstofgehelen kunnen verwerken;
- leerinhouden persoonlijk kunnen bewerken en instuderen;
- een ruime en open intellectuele en culturele nieuwsgierigheid tonen.
Ingaan op de specifieke eisen van een bepaalde studierichting zou ons te ver leiden. Het opvolgen van het advies van de delibererende klassenraad - die met deze eisen rekening houdt - is echter van het grootste belang. Wanneer de klassenraad in november meldt dat er twijfels zijn over de goede keuze van de studierichting van een leerling is een heroriëntering of een aanpassing van de studiemethode nog steeds mogelijk. Op het einde van het schooljaar wordt echter voor elk vak de minimumnorm van 50% verwacht. Deliberatie voor de vakken waarvoor geen 50% werd behaald is niet uitgesloten, maar zal op het einde van het 5de jaar meestal gekoppeld zijn aan een vakantiewerk en/of een waarschuwing ( zie schoolreglement). Op het einde van het 6de jaar moet de klassenraad ook beslissen over het uitreiken van een diploma. Dit betekent dat de deliberatievraag uitgebreid wordt: de leerling moet immers voldoen voor het geheel van de vorming van een bepaalde studierichting. Concreet wil dit zeggen dat men in principe geslaagd moet zijn voor alle vakken , dus ook voor die waarvan men meent ze in hoger onderwijs niet meer nodig te hebben.